Natuurbrand

De opkomende zon spuwt gele en roze slierten uit over een helblauwe lucht, het gras parelt wit. De wolkjes uit mijn mond vervliegen in de ochtendschemer en ik kijk hoe het paard zich vooroverbuigt over zijn eetbak. Ik hoor alleen het knerpen van de wortels tussen zijn tanden en het kraaien van de haan. Een onmetelijke rust strekt zich uit over de weides. Mijn hart licht kort op. Meer dan dit heb ik nu niet nodig.
Ik maak een foto van het paard dat en profil tegen de oplichtende horizon staat te eten en stuur het naar mijn broer. Groter kan het contrast niet zijn; de avond ervoor sprak ik hem over de natuurbranden in Californië, waar hij sinds kort woont. Eerder die week had hij me een foto gestuurd van de zon achter een dikke, grijze deken en hij vertelde me dat het as regende. Uit voorzorg zaten ze zonder elektriciteit; een kapotte mast had vorig jaar voor die verwoestende brand gezorgd. Een pietluttige vonk gold toen als een eerste dominosteen; het vuur bulderde over de gortdroge aarde. Ruim 60.000 hectaren en meer dan 10.000 woningen werden in as gelegd, en omdat ook de uitvalswegen geblokkeerd raakten door fakkelende bomen en elektriciteitspalen stierven er 86 mensen. Om over de dieren nog te zwijgen. Het vuur had hen omsingeld.
Nu woedt er daar dus opnieuw zo’n brand. Misschien was het dit keer een weggegooide sigaret geweest, of een blikseminslag, en nu sloten ze het resort waarin hij werkt: de evacuatie was in volle gang.
Ik probeer mij dat voor te stellen. Hoe het vuur dat hen op de hielen zit zijn komst aankondigt; een klamme deken waaronder de 40 graden van de zon verdampt. Mijn broer vertelde dat hij brand rook én proefde toen hij over zijn lippen likte. Stoffige deeltjes in zijn haren en wimpels, tegen de ramen en op de vensterbanken, met aan de horizon niet meer dan een verwaarloosbare, gele streep en wolkpluimen – abstract en zo ver weg nog. Insecten verschroeien in de vooruitgesnelde hitte en wilde dieren vluchten al dagen van tevoren. In de verte wordt de streep eerst een vlek en de vlek gaat over in een wolk die aanzwelt. Tot een cycloon van vlammen bomen opslorpt en de volgende strook omwikkelt. Huisdieren en vee hollen weg; de hitte eerst nog snuffelend aan hun gat om daarna opgeslokt te worden als een surfer die kopje onder gaat in de krullen van de zee.
Alleen geeft deze vuurgolf niets terug. Hij zuigt de ziel eruit en lost een zwartgeblakerde huls, als een kader dat een leegte omlijst.
De wereld om je heen wordt verzwolgen en het enige wat je kunt doen is rennen en - hopelijk - van een afstand toekijken; het hoofd gebogen voor iets dat groter is dan wij. Het hoofd gebogen...



Opmerkingen