Vakantie
Elk jaar die gigantische uittocht uit ons land. 'Even weg van alles', hoor je dan. De dagelijkse sleur doorbreken. Om als een sardien in een blik met Ryanair te vliegen of op zwarte zaterdag in de file aan te schuiven...
Je staat om half negen op, groet buurman Jo en buurvrouw Joke en na een baget, krassant en zju de oransj drom je samen met de andere badgasten achter het hek van het zwembad. Zodra de poorten stipt om negen uur opengaan, sprint je in volle vaart over de nu al gloeiende tegels om jouw handdoek en die van je vrouw op de strandstoelen te gooien en beeld je je in dat de persoon met wie je hier echt had willen liggen je insmeert. ‘s Avonds check je in de spiegel hoe bruin je al bent en denkt: ach, ik heb nog dertien dagen. Daarna mik je je bord vol met drie saucijzen, vijf hamburgers en frieten en tikt vijftien bier en acht wijn achterover – van all-in moet je nu eenmaal genieten.
Je beeld je in dat de persoon met wie je hier echt had willen liggen je insmeert
Op de camping een behaaglijk gevoel bij de aroma van het sanitair – het herinnert je aan al die jaren waarin je ‘even lekker weg van alles’ was. De royale remsporen, bulderende Hollanders, volle putjes en lekkende tampons op de vloer kunnen die sensatie niet wegnemen. Elke avond wanneer de laatste zonnestralen over de camping vallen, de schelle kinderstemmen zijn uitgedoofd en op een achtergrond van tjirpende krekels het geklik van slippers klinkt, voel je het geluk branden in je borstkas. Je vergeet alles van thuis, plots geen zorgen meer, de batterij weer opladen en de gedachte ‘als ik toch eens...’ gaat door je hoofd. Om die snel weer te parkeren.
Na twee, drie weken afwezigheid op het werk zullen je collega's uitkijken naar je terugkomst. Ze zullen zeggen dat je zo lekker bruin ziet en dan, op maandagochtend aan het koffiezetapparaat, klinkt de tweede onvermijdelijke vraag van de zomer: ‘En, fijne vakantie gehad?’ Eerder had je al geantwoord op die of je nog op vakantie ging.
Je antwoordt ook nu heel hard ‘Ja!’, en dat het ‘heerlijk weer was’, dat ‘de kinderen zo genoten hebben’, dat - hoewel je de camping niet af bent geweest - ‘Zuid-Frankrijk prachtig is’, en dat het ‘zo klikte met de Nederlandse buren die precies hetzelfde idee hadden van een vakantie.’
Reizen is het prikkelen van de ziel, het verruimen van de geest. Vakantie ... dat is terugkomen op kantoor, in huis en op de voetbalclub en zien dat alles verdómme nog hetzelfde is
Oké, óké... Er zijn ook mensen die keihard werken, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Ik kan mij voorstellen dat zij afgezonderd van iedereen in een landhuis met uitzicht op het glooiende landschap energie opdoen. Daarnaast heb je nog gezinnen die hun kinderen zien genieten op de camping, snap ik ook. En dan heb je nog de categorie die reizen of trips maakt. Die valt niet onder het kopje ‘vakantie’. Reizen is het prikkelen van de ziel, het verruimen van de geest.
Maar vakantie ... dat is terugkomen op kantoor, in huis, op de voetbalclub en zien dat alles verdómme nog gewoon hetzelfde is. Na twee dagen ben je opnieuw opgebrand. Die vakantie had geen enkele zin. Dus plan je alvast een nieuwe vlucht.
Oh ja, hoor: ik generaliseer. En ja: ik ben ook op vakantie geweest. Het was heerlijk. Het hielp echt. Voor even. De diepste dalen kwamen altijd meteen daarna. Net als de vreemdste wendingen of de grootste beslissingen. Dat is de vrucht van mijn vakanties. En nu pluk ik elke dag die van jóú. Wat is het toch heerlijk rustig op de weg als ik ga werken.





Opmerkingen