Vakantie (2)

Mijn strenge betoog over vakantie lokte wat reacties uit. Zo ook van mijn vader en moeder, die er wat mooie herinneringen tegenaan gooiden.
Ik voelde me gelijk lullig. Ik doelde natuurlijk niet op de vakanties in mijn jeugd. Die waren fantastisch. Als kind betekent vakantie eindelijk even terugkeren naar de vrijheid die ergens nog in je zit. Even los van de ketens van agenda’s, maatstaven en keurslijven – een leven waar je dan eigenlijk nog helemaal niet in vastgesnoerd dient te zitten. Maar goed, onze maatschappij heeft al heel lang geen koesterende taak meer; we zitten als kind al in een wurggreep.
Met ons gezin gingen we meestal naar Zuid-Frankrijk of Italië. Ik had altijd een paar dagen nodig om vrij van zorgen te zijn. Om weer kind te zijn... Het sportveldje werd daarvoor mijn epicentrum, de bal mijn houvast. Voor alle nieuwe dingen was ik bang, maar juist hier keek ik naar uit: als enige meisje tussen de jongens met de bal aan de voet. In mijn anders-zijn was ik nu niet meer broos; het was daar, op dat veldje, ineens mijn kracht. Eindelijk had ik de onzekerheid getackeld.
Bij een van die campingtoernooitjes moesten er teams worden gemaakt: een team mét shirt en een team zonder. Ik werd gekozen bij de ploeg van de blote basten. Ik was amper tien en ik had zelfs nog geen erwtjes, maar om haast naakt over het veld te banjeren… Mijn moeder stond langs de zijlijn, ik zie haar nog staan. Het veld had nog drie grassprieten over, het geelbruine zand stoof op bij elke stap en in de verzengende hitte vroeg ze me: ‘Als je het niet wilt, mag je je shirt gewoon aanhouden.’ Ik knikte. ‘Weet je het zeker?’ Dat wist ik het zeker niet, maar ik wist nog minder zeker dat ik het wilde uitdoen. Tot de bal rolde. In een klap voelde ik me één met de rest en ik gooide mijn shirtje achteloos over de zijlijn. Ik was weer eens een barrière door.
Met de dagen kwamen er zo ook vriendjes. Ik herinner me nog dat we samen op een terras vol schreeuwende Hollanders naar Oranje keken waar de man naast ons heel hard ‘Edjeeeeeeuuuuhhhh’ riep wanneer doelman Ed de Goeij goed optrad (dat deed hij weleens, blijkbaar). Op die camping kwam ik erachter dat ‘Anne’ een jongensnaam is in Friesland, en in de gamekamer werden we wild als de spelcomputer met Tekken erop vrij was.
Toen de vrouw des huizes meldde dat de worstjes van de man des huizes niet wilden garen, proestte ik het uit
Ik zag mijn broertje met een duikbril op en een oud, paars mandje ondersteboven op zijn hoofd door onze campingstraat zoeven, zijn dikke buikje vooruit en het dichtgeklapte oranje campingstoeltje tussen zijn benen als een heuse motor. ‘Broem, broem’, gromde hij dan. De Italiaanse buurvrouwen keken vertederd wanneer hij hun stacaravan weer eens passeerde. ‘Chipolino!’ Toen we ijsjes gingen halen en mij als oudste werd gevraagd wat we wilden bestellen, hoorde ik mijn broertje heel droog ‘une glassssssss’ zeggen.
Ook met mijn beste vriendinnetje mocht ik ook mee naar Frankrijk en Italië. Voor vertrek was ik nu niet zenuwachtig voor alle nieuwe mensen. Het waren de tafelmanieren van dit gezin die me bezighielden. Ik had heus wel meegekregen dat je met je mond moet dichteten, maar de tafeletiquette van deze famlie reikte nog wat verder.
Op de heenweg waren mijn schoenen al de spicy smaakmaker nadat ik ze had uitgetrokken en toen de vrouw des huizes een van de eerste avonden zorgelijk naar de barbecue keek en de man des huizes meldde dat zijn worstjes maar niet wilden garen, proestte ik het uit. Over tafel. Een tafel met een etiquette. De cola droop over de komkommerschijfjes, de sla, de sauzen, het brood en zat in de wijn en er viel een doodse stilte. Daarna schoten de lachsalvo’s in het rond. Het ijs was gebroken, we maakten de grootste lol, kochten snoepwinkels leeg, struinden marktjes af. We speelden tafeltennis en ik basketbalde, voetbalde en zwom. Ik was vrij. Ik was een kind.
Zo evolueerden mijn vakanties altijd van een vooruitzicht vol angsten tot dierbare herinneringen die nooit vergaan. Simpelweg omdat het kind in mij even vrij mocht zijn.




Opmerkingen