Bio
‘Tja, hoe moet ik dát nu uitleggen?’ De verkoper van het plaatselijke winkeltje zocht verveeld naar een antwoord. Ik had hem gewezen op het plakkaat bij de kassa - ‘Hooi te koop’ - en ik vroeg hem of het bio was. Niet dat ik hooi wilde kopen, maar door mijn vrijwilligerswerk op een biologische boerderij werd ik nieuwsgierig. Zijn hoofd draaide tussen knikken en schudden en toen zei hij: ‘Deels’. Ik keek hem moeilijk aan. 'Wat bedoel je met deels?'
Daarna vroeg hij zich dus af hoe hij dat moest uitleggen, met een toon vol zelfbeklag. Deze jongen was niet veel ouder dan twintig maar leek nu al te hebben ondervonden dat voor iemand met idealen de wereld een teleurstelling is. En nu diende hij ook nog vakinhoudelijke kennis over te brengen aan een onwetende klant, een vrouw nota bene. Iemand die zeker niets wist van de boerenstiel zoals hij die bedrijft. Elke dag. Van ‘s ochtends tot ‘s avonds, op het land, in de stal, om tussendoor in deze winkel zijn eigen producten te verkopen. Twee vragen stelde ze daarover. En hij wist nu precíés wie ze is. Of beter: wát voor iemand ze is.
Aan de andere kant van de toonbank stond zij hier keihard te aarden
Deze vrouw, met haar ronde bril en het haar dat in een losse knot bobbelig op haar hoofd zat vastgebonden, was zo’n blotevoetenmevrouw. Hij wist het zeker: aan de andere kant van de toonbank stond zij hier keihard te aarden, de huid van haar voetzolen plakkend op het beton. Daarboven droeg ze een tentzeil als broek en met dit losse hemdje hield ze beter haar armen naar beneden om hem haar bio-oksels te besparen.
Jep, dit was zo iemand: iemand die alles biologisch koopt omdat men zégt dat het biologisch is. Bij alles wat ze tegenkomt is dat haar eerste vraag: ‘Het is toch wel bio, hè?’ Zo’n vrouw die ‘logisch’ wegliet; zo logisch is bio voor haar. Bio is namelijk beter voor de mens. Zoals het ook beter is om op blote voeten te lopen. Zo staat het in de boekjes, zo moet het zijn, en zo zou ze het dan ook naleven.
‘Maar is het bespoten. Of niet?’, vroeg ik. Bio bestaat namelijk niet deels. Het is bio of niet. Of je spuit rotzooi óf niet. Of je gebruikt gemodificeerde troep óf niet. Of de natuur kan zijn gang gaan zonder de destructie van de mens óf niet.
‘Zo min mogelijk.’ En hij reikte me de tas aan. ‘Dat daar’, wees hij op het varkensvlees in de vitrine, ‘is ook niet bio’.
‘Nee, dat weet ik.’ Het vlees in de winkel werd ook niet verkocht onder die noemer. De rest van de producten wel: op het etiket van de groenten, de drank, kazen, eieren en het fruit stond ‘biologisch’ geschreven.
Niettemin hief ik de zak lichtjes op. ‘Dit is wel gewoon bio, toch?’ Toegegeven: het woord ‘gewoon’ is slecht gekozen. Niet alleen omdat het blotevoetentaal is, maar biologisch voedsel is hoe dan ook een illusie. En niet eens door wat het zelf in wezen is – bio is gedevalueerd door zijn tegenhanger: het vergiftigen van de natuur. De troep die op andere plekken op de gewassen wordt gespoten, waait over en dringt door in de grond van het veld van een biologische boer. Maar juist wanneer het kwade regeert, hebben we het goede zo nodig. Al denkt IS daar waarschijnlijk anders over. Maar goed, jihadisten zie ik ook geen bio eten uit respect voor de natuur en hun gevoelige darmpjes.
De jongen knikte. Hij lachte nu wat flauw. ‘Geen zorgen. Dit is gewóón bio.’
Ik had mijn armen uitbundig omhoog moeten gooien bij het gedag zeggen. Maar ik draaide gewóón om. Als een vrouw op schoenen. Met idealen. Ik wist alleen niet hoe ik dát moest uitleggen.





Opmerkingen