Naakt

Het was druk bij de slager; de stukken koe, varken en kip gingen massaal over de toonbank. Ik slikte een keer bij het idee dat wat ooit levend was nu leven moest voeden.
Uit de coulissen kwam een jongen tevoorschijn. Zijn schouders hingen af, zijn rug had een bolling en zijn armen hingen bungelend langs zijn dunne, slungelige lijf – zijn gewrichten leken er haast los bovenop te liggen. Bij elke stap tokkelde hij met zijn vingers tegen zijn bovenbenen.
Of hij me kon helpen, vroeg hij.
Ik bestelde ham en de jongen liet zijn blik door de vitrine gaan. Toen keek hij me aan. Of ik kon aanwijzen welke ik bedoelde.
Hij omarmde het zwaargewicht en kwakte het op de snijmachine. In trage bewegingen sneed hij vier sneetjes, die hij verticaal probeerde in te pakken, tot hij zag dat ze over de rand staken en tot de conclusie kwam dat horizontaal beter zou zijn. Daarna lachte hij vriendelijk. Mijn volgende bestelling alstublieft.
Ik wilde nog wat chorizo en wees hem erop dat hij de salami te pakken had. Zijn handen trilden toen hij ook dit papier vermorzelde bij het inpakken. De paté herkende hij wel meteen. Hij besmeurde er de toonbank mee, duwde zijn duim en wijsvinger in de zijkanten en pakte het stuk met een zandlopertaille in.
Ik wendde mijn blik af. Ik kon zijn gestuntel niet aanzien en toch wilde ik niets anders dan hem begluren vanuit mijn ooghoeken: hem beoordelen, zijn geknoei veroordelen en tegelijk het ongemak bij hem wegnemen. Zijn sloomheid, het fragiele aan zijn houding… Ze moesten weg, uitgevaagd worden.
Maar niemand die het aan me zag. Een grimas zou me verraden: dat ik mezelf zag staan, daar, jaren geleden. De afkeer die ik voelde richting deze jongen was de weerzin tegen mezelf toen ik nog zo was. Het medelijden was gewoon oude schaamte die nog vers bleek te zijn. Dus glimlachte ik; het perfecte masker om in zijn onvolmaaktheid niet de mijne te hoeven voelen.
Geen masker, geen houding. Dit was hij, compleet in zijn meest incomplete vorm
Deze jongen deed al die moeite niet. Alles aan hem herkende ik, behalve dat: die blik in zijn ogen. Ik verwachtte er ingehouden paniek in te lezen, ik zou de rusteloosheid hebben gevoeld, de angst herkennen. Maar zijn onbekwaamheid hing om hem heen als een sluier die hij niet zou afdoen om de werkelijkheid te moeten maskeren. Zijn handen trilden niet van zenuwen, zijn wangen bloosden niet van schaamte, maar van inspanning. Zijn fysiek was nog niet één met zijn geest.
Deze jongen, amper achttien schatte ik, stond naakt tegenover me en hij droeg zijn naaktheid met waarde. Geen masker, geen houding. Dit was hij, compleet in zijn meest incomplete vorm.
Toen zijn collega het even van hem overnam, ging het tien keer sneller. Even was ik van mezelf af. Maar ik kwam terug. De jongen wilde zijn werk afmaken, dingen leren, vorderingen maken. Ook een volgend pakketje frommelde hij dicht nadat het vlees er eerst half was uitgeschoven. Hij keek me aan. ‘Sorry dat ik nog niet zo snel ben als mijn collega. Dit is mijn tweede dag. Wenst u nog iets?’
Zijn woorden sneden door mijn ziel. Deze jongen was in alles zoveel anders dan ik ooit zou zijn geweest op dat moment, aan die andere kant van de toonbank.
Hij was de perfecte imperfectie die ik zelf nooit had durven zijn.




Opmerkingen