top of page

Vos

16 dec 2022
4 minuten om te lezen

Ik hoorde in de verte een krijs en gestommel. Mijn hond liep hier, op dit afgesloten stuk grond met weides en dieren, ook ergens rond, en ik rende op de oerkreet af. Het klonk als die van een dier dat vocht voor zijn leven. Ik hoopte maar dat het Maïm niet zou zijn...

Ik zag een pluizige staart over de grond zwieren en toen ik de hoek om stormde, vond ik ook mijn hond. Ze lag boven op een vos, die - op zijn rug - inderdaad vocht voor zijn leven. Maïm greep hem met venijnige beten in zijn hals, steeds opnieuw – haar tanden telkens dieper en efficiënter in zijn vacht.

Het is niet de eerste keer dat mijn hond iets te pakken heeft. Normaal gesproken spring ik er dan boven op en zwaai mijn arm om haar middel om met mijn wijs- en middelvinger haar neus dicht te knijpen. Een mens wordt daar handig in als het maar vaak genoeg gebeurt. Verder is het natuurlijk een schat van een hond.

Ditmaal deed ik niks. Ik stond relatief rustig te bekijken hoe ze de vos bewerkte en ik had daardoor de tijd om van alles te denken. Moest ik nu ingrijpen of niet? En zo ja: hóé dan? De vos leek me niet het soort dier dat zomaar even wegloopt nadat er twee vingertjes op wat neusgaten zijn geduwd. Moest ik dan een stok pakken? Of een bak water? En kon ik het dier überhaupt nog redden? Zou ik het lijden dan niet alleen maar verlengen?


Hoewel mijn hond aan de winnende hand leek, werd ze ook zélf in een wurggreep gehouden. Misschien vocht ook zíj wel voor haar laatste kans

Maïm maakte de beslissing voor mij: de vos bewoog niet meer. De klus was geklaard. Ingrijpen had geen zin meer. Mijn hond zou vanzelf een keer gaan lossen.

Ik liep om de twee kemphanen heen en bekeek het tafereel van de andere kant. Toen bleken de zaken iets anders te liggen. De vos had zijn ogen nog wagenwijd open en met een blik vol vuur en vooral vol léven, legde hij alles wat hij in zich had in een beet waarmee hij óók de nek van Maïm omklemde. Hoewel mijn hond aan de winnende hand leek, waren haar beten waarschijnlijk zo venijnig omdat ze zélf in een wurggreep werd gehouden. Misschien vocht ook zíj wel voor haar laatste kans.

Toen sloeg de paniek toe. En ik stond daar maar. Te kijken, te schrikken, te denken. Dat laatste vooral. Fuck, doe iets. Ja, wat dan?! Slappe trut, dit wordt Maïm haar dood. Ik kan er toch niet zomaar tussenspringen, met zo’n vos! Ongelooflijk eigenlijk dat ze dit kan. Wat een krachtpatser!

Ach, schei uit, het is een klerebeest. Wel goed dat ze het terrein beschermt. Gek! Ze mag dit helemaal niet doen! Ocharme, dat diertje, zo vol van lijden, ik moet iets doen.

Ik kan niets doen, ik zal het alleen maar erger maken.

Toen liet de vos los. Hij sloeg zijn hoofd naar achteren en sperde zijn bek; met zijn laatste beetje leven leek hij de dood toe te laten. Maïm schudde het beestje in het rond.


Niet veel later loste ook zij. De vos spartelde op zijn zij als een vis op het droge en bleef toen liggen. Hij hijgde hevig en ik hurkte bij het arme dier. Ik keek naar dat slanke, gave lijf, naar die dikke, pluizige staart, naar die vlijmscherpe tanden en die gitzwarte kraalogen waarvan de blik in het rond schoot. Wat een prachtig dier is dit...

Ik zette mijn auto al vaak stil voor een vos die het veld inschoot in de hoop nog een glimp op te vangen. ’s Avonds, als ik met Maïm ga wandelen, zie ik hem regelmatig voor me uitlopen. Ik zet dan stille stappen in de hoop dat ik dichterbij kan komen, dat ik mag blijven kijken, mag genieten van dat machtige, eentonige ritme waarmee hij zijn lijf zo laag bij de grond laat zweven. De vos verraadt met elke stap die hij zet dat hij er klaar voor is; dat hij zal vluchten of vechten.

De vos bleef lang verborgen in de nacht. Nooit kreeg ik grip op hem. En nu lag hij voor mijn neus. Zo mak en zo dichtbij. Op klaarlichte dag.


Een pluk vos uit haar mondhoek en haar ogen vochtig en pikzwart

Hij trok zijn bek nog een keer krampachtig open en keek toen glazig voor zich uit. Met een paar lichte stuiptrekkingen zag ik het leven uit hem glijden. Ik boog mijn hoofd. Beter de tanden van een dier dan de ijzerdraden van een mens... Dat was mijn houvast.

En Maïm? Die zat in de auto uitbundig te hijgen, een pluk vos uit haar mondhoek en haar ogen vochtig en pikzwart. Ze kan al jaren niet meer in de auto springen en loopt sinds een tijdje mank, de hitte legt haar lam en in haar afgesleten gebit heeft ze nog drie van de vier hoektanden over. Maar een vos doodbijten...

Ik grijnsde en vergaf haar. Ik voelde ook geen woede en schaamte, die ik wel had toen ze een hond, een kip of een kat te pakken had. Maar toen waren er mensen bij betrokken; eigenaren die zich op Maïm richtten. En dus op mij... Ik had mijn hond niet in de hand! Makkelijker dan mijn eigen fouten te erkennen, was het om háár dit te verwijten.

Bij de vos lag dat anders. Dit diertje was van niemand. Ik voelde nu geen schaamte, had geen moeilijk gesprek te voeren of een hoge dierenartsrekening te betalen. Ik diende nu ‘alleen’ verantwoording af te leggen aan de natuur en meer dan een triest gevoel rond het verlies van zo’n prachtig dier had ik niet.

Pas ’s avonds dacht ik er dieper over na; over dieren en hoe ze per definitie onschuldig zijn, als de spiegels van ons onbewuste. Heel fraai was het niet, wat Maïm de afgelopen jaren allemaal had laten zien. Ik kon nu alleen maar hopen dat de natuur me mijn onvolmaaktheid zou vergeven.

De volgende ochtend vond ik op datzelfde stuk grond een van de schapen. Het lag uiteengereten in de wei.



 
 
 

Gerelateerde posts

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
bottom of page