Collectieve waanzin
Ik werkte een paar dagen voor een redactie. Als freelancer doe ik dat vaker, maar dan één dag in de week en ‘s avonds. Nu waren het er drie. Achter elkaar. Bij een ander tijdschrift en binnen kantooruren.
De eerste dag reed ik met een fris gemoed naar mijn werkgever. Een nieuwe uitdaging, een andere omgeving, onbekende mensen ... ja, ik had er zin in. De file kon mij niet raken.
Maar na dag twee voelde ik me al anders. Ik realiseerde me dat ik gefronst achter het stuur zat. Met een trieste blik ook. En een pruillipje.
Ik zag urenlang stoelen op wieltjes rollen en voelde de zoemende bakken van computers aan mijn energie vreten. Ik schudde broodkruimels uit het toetsenbord, dronk een doorzichtige substantie en maakte de muis schoon tot mijn wijsvinger niet meer bleef kleven. Ik rook scherpe aftershave in de ochtend en ontweek muffe adem in de namiddag.
Ik zag mensen zich in kuddes verplaatsten; aaneengesloten stapten ze om 8.59 uur de deur binnen, ze hoorden elkaars plas in de wc kletteren en aan het koffiezetapparaat vroegen ze naar het weekend. En nu stond ik in de file. Alwéér.
Ik keek naar al die remlampen voor me, zag ze uitdoven en weer oplichten. Optrekken, rode lichten, afremmen. Ik realiseerde me: dit doen mensen dus. El-le-ke dag.
In file twee en drie passeerden nog woede, frustratie en machteloosheid. Als een giftige cocktail woedden ze door mijn aderen: ik riep, zuchtte, sloeg mijn handen op het stuur en realiseerde me in file vier dat het niets oploste. Toen nam zelfmedelijden het over.
Ik keek om me heen, zoekend naar herkenning. Naar een bestuurder van wie ik de blik zou vangen en de frons zou begrijpen. We zouden kort naar elkaar knikken en de ogen even sluiten: ‘Ik weet het. Dit is geen leven. Maar het gaat voorbij. Echt. Het komt goed.’
Maar ik ving geen blik. Zag geen frons. Er was geen knik. Het kwam niet meer goed.
Een grijze Citroën tufte voorbij, Henk had zijn handen aan het stuur en keek naar de rij met lichtjes voor hem zonder ze te zien. Daarachter reed Ingrid in haar rode Dacia, met gekleurde plakkertjes op de ruiten. Ze lachte - ik denk - hardop terwijl ze in de achteruitkijk- spiegel naar haar kroost keek.
Wij als de ledenmaten van een in slaap gesukkelde maatschappij.
Zij konden dit, dacht ik, zich neerleggen bij deze collectieve waanzin.
Ik sprak mezelf toe dat ook ik dit zou kunnen. Dit gaat voorbij. Rustig optrekken en – zoals Johan Cruijff zei – "Genoeg afstand bewaren zodat je niet hoeft te remmen en langzaam kunt blijven rijden. Als iedereen dat doet, is er geen file." Zo is dat: het begint bij jezelf.
Putain! We stonden weer stil.
Opnieuw passeerden Henk en Ingrid, nog even onverstoorbaar en lachend.
Nee, bedacht ik me, zij hadden zich niet neergelegd bij hun lot. Zij hadden zich nooit gerealiseerd dat dit, deze file, absolute idiotie is. Een afdruk van onze verknipte maatschappij. Henk en Ingrid zijn juist degenen die de ziekte creëren en in stand houden. El-le-ke dag.
Ik zou moeten uitstappen, bedacht ik, de deur opentrekken en eerst Henk en vervolgens Ingrid uit hun stoel sleuren, hen door elkaar schudden en roepen: ‘Zie je het dan niet? Kijk voor je. Dit doe jij! Ja, jij! Elke dag weer! Je bent ziek, een monster, je maakt alles kapot! Mijn leven! Jouw...’
Maar ik was niet anders dan zij, deze dag. Ik hield de ziekte mee in stand, optrekkend en afremmend in de file. Ik liet toe hoe ze door mijn lijf raasde, een toxische substantie die mijn lichaam wilde overnemen. Deze gemene deler was op zoek naar één ding: de individuen versmelten tot een collectief; de afzonderlijke Ikken inzetten als zijn marionet. Wij als de ledenmaten van een in slaap gesukkelde maatschappij.
Toegegeven: het maakt alles gemakkelijker. Het hele leven. Je hoeft niet meer te strijden. Tegen files, tegen slechte koffie, tegen plakkende muizen. Je wordt er gewoon één mee, je ondergaat je lot en je stelt je geen vragen meer.
Het maakt alles gemakkelijker. Het hele leven. Je hoeft niet meer te strijden. Tegen files, tegen slechte koffie, tegen plakkende muizen
Bij het koffiezetapparaat informeer je oprecht naar het weekend van Ingrid en slurpend van een plastic bekertje met een dampend, troebel goedje realiseer je je niet dat het omhulsel in de zee zal belanden. Wanneer Henk iets vraagt, rol je flitsend op je stoel naar achteren, plaats je je handen achter je hoofd om een antwoord met 'content', 'strategievorming' of 'prospect' te formuleren. Om half één sluit je – broodtrommel in felle kleur in de hand – aan bij je collega’s in de kantine, om over de voetbalclub en aanbiedingen bij de Hema te praten. Muffe adem en een plakkende mond betekent dat het weer zover is: je mag achteraan in de rij met rode lichtjes gaan aansluiten. De aardappels staan tenslotte om half zes op tafel.
Ik plofte in bed. Om half elf. Totaal uitgeput. Ik had dan ook drie dagen gewerkt. Drie hele dagen.
Dit doen mensen. El-le-ke dag. Aansluiten in de file, achter de computer gaan zitten, in de file, aan tafel, voor de tv, naar bed, onder de douche, in de file, achter de computer, in de file, aan tafel, voor de tv, naar bed, onder de douche......... Om op zaterdag het gras te maaien.
Tot het zo ver is: ze mogen met pensioen. Eindelijk. Ze mogen van de maatschappij beginnen met leven.





Opmerkingen