De nacht van de ochtend

Na drie keer snoozen, duwde ik mijn benen over de rand van mijn bed. Mijn oogleden plakten aan elkaar, mijn telefoon vond ik op de tast. Tussen mijn wimpers door las ik: 05.48 uur.
Ik zette de bench open en wachtte op de geur van mijn hond die zich zou uitrekken. Wat ik hoorde was een diepe zucht.
De lamellen voor het badkamerraam hield ik omlaag, lampen verlichtten de douchecabine en ik zette mijn koffie onder felle spotjes. Toen ook Maïm met frisse tegenzin wakker was geworden, wandelden we door verlaten straten. Ook in de huizen bleef het donker.
Het was lang geleden dat ik de ochtend in deze vroegte had meegemaakt. Gelukkig maar. Zo bleef ook alles wat ik al die jaren achter me had kunnen laten op afstand. En nu, op deze ochtend, was het ineens weer springleven.
In een vingerknip was ik terug in de tijd dat ik elke dag om half zeven moest opstaan. Als een zombie zat ik aan de keukentafel. Mijn broers en ik zwegen, onze moeder praatte. Verzwolgen door zelfmedelijden hingen we over ons bord; meer dan een kort ‘hmm’ of een lang ‘jahaaa’ kwam er niet uit onze mond.
Bij de bushalte, de straten in een oranje gloed van de lantaarnpalen, doken fietsers weg in hun sjaal en trokken wandelaars trokken hun hond mee: de dagelijkse sleur joeg hen net zo goed de vroege morgen door. In de bus brandden mijn ogen, knijpend tegen het licht dat als een misleiding van de werkelijkheid voelde.
Ik dacht toen dat het wel zou komen, de gewenning. Dat het de leeftijd was. Met de jaren zouden de ochtend en de duisternis niet meer samengaan; ik zou voortaan om zeven uur mijn bed uit springen.
Dat gebeurde nooit. De ochtend bleef voor mij een terrein dat je best vermijdt, ook al leerde ik de duisternis te omarmen.
’s Avonds is dat compleet anders. Dan voel ik me juist geborgen in de donkerte. Wanneer ik de deur achter me dichttrek en mijn hond in de stilte van de nacht voor me uit zie lopen, weet ik: de wereld slaapt. Ik ben alleen, met mezelf, niemand op mijn pad - de duisternis voelt dan als een diepe wijsheid. Een gemeenschappelijk weten. Het is goed zo. Je kunt rustig gaan slapen.
Op de vroege ochtend is diezelfde donkerte compleet verschillend. En terwijl mijn hond naast me sjokte – ook zij was uit haar doen – vroeg ik me af wat dat dan was... Wat maakte deze duisternis zo anders dan die van de avond, in een omgeving die exact dezelfde is?
Op deze vroege morgen kwam iets aan het licht wat bij het donker hoorde
In de verte sprong een lichtje aan. Nog een. En nog een. Zou dat het zijn?, dacht ik. Om als stille getuige de wereld om me heen te zien ontwaken?
Het ene na het andere huishouden werd wakker en ik kon niets doen om dat te veranderen, om dat beeld te vermijden, om met het úítknippen van míjn licht de laatste te zijn die de nacht zou instappen. Zoals ‘s avonds.
Nee, het onvermijdelijke was gebeurd. De manipulatie was ingezet: de dag brak aan, nog vóór de zwarte lucht langzaam zou overgaan in grijs. Op deze vroege morgen kwam iets aan het licht wat bij het donker hoorde; er was iets in mij wakker gemaakt wat nog behoorde te slapen.
Het enige wat ik kon doen was in de file aan te sluiten. Mijn weg zoeken in de duisternis van het collectief, dat was wakker geworden om verder te gaan met zijn grote slaap.




Opmerkingen