Gouden uur

Ik hou van het moment waarop de hete zomerdag heel langzaam overgaat in de nacht. Ze noemen dat in de fotografie het gouden uur, omdat het licht dan zo adembenemend is. Al is dat volgens mij net vóór zonsondergang, terwijl ik juist vlak daarná met mijn hond ga wandelen, wanneer de schemer een andere wereld opent.
Het lijkt dan zowel licht als donker te zijn, terwijl het ook weer licht noch donker is. Alsof iets zijn vleugels uitslaat en, terwijl het met het geleidelijk dichtvouwen de dag over laat gaat in de nacht, een deken van magie over de aarde legt die alles zo paradoxaal maakt dat ik lijk te verdwijnen in iets dat ik niet kan definiëren. Een soort gat waarin alles samenvalt en tegelijkertijd uiteenspat.
Deze avond was de maan bijna vol. Aan de horizon een kleurenwaaier met een paar plukjes wolken. De toppen van de grasbermen stonden in het zaad en glansden. Terwijl Maïm en ik over de holle weg liepen, duwde de wind ze haast over ons heen. Langzaam ontwaakten de krekels en wanneer de wind even ging liggen, werd het zo stil dat ik het geruis van het bos in de verte hoorde. De wind was inmiddels naar daar verhuisd, dacht ik, maar ik wist dat de natuur simpelweg zijn eigen taal had.
Ook het graan was bijna rijp; er lag een gloed over die niet aards kon zijn. Ik kon de kleur althans niet benoemen; daarvoor was het te intens en zat het overal tussenin. Geen paars, maar ook geen rood en tegelijk was het geel. Onbestaanbaar en niettemin zichtbaar.
En toen zag ik daar, in de verte, een groepje wilde dieren spelen. Waren het kittens, konijnen of toch vossenwelpen? Ik kreeg de drang het veld in te rennen, Maïm huppelend achter me aan door het veld dat langs haar gezicht zou snijden, alleen maar om die dieren te kunnen herkennen. Maar ik bleef staan, tussen het hoge gras, mijn hond aan mijn voeten. Ze wist: hier staat mijn baasje graag; dit is haar plek, we lopen zo wel weer verder.
Maar deze avond was anders. Het genot van al het moois en de pijn om het onbekende onbegrepen te moeten laten, schuurden genadeloos tegen elkaar aan. De tranen in mijn ogen waren zowel van de vreugde als van het lijden en zo vlochten ook die twee uitersten in elkaar om gelijktijdig (niet) te bestaan. In werkelijk álles vond ik het tegenstrijdige. Twee werden telkens één en maakten drie.
Dat derde was dat gat wat ik eerder al aanhaalde, waarin alles samenvalt en uiteenspat; het onbestaanbare dat er plots tóch is en weer oplost zodra je je er bewust van wordt.
Zo werd het in mij licht en donker, terwijl het er licht noch donker was.
Schijnbaar kun je dit prachtige moment ook ’s ochtends beleven. Die mystieke kant van het leven heb ik nog niet ontdekt.




Opmerkingen