top of page

Man met kind

12 dec 2022
4 minuten om te lezen


Aan de bar nipten drie mannen van hun bier, bij het raam een koppel aan de rode wijn. Verder nog wat dames op een dagje uit en gepensioneerde mannen. Het was pas middag.


Ik liep richting de uiterste plek, achter in het café. Daar waren geen mensen.


Eenmaal de hoek om bleek ik dan toch niet de enige te zijn. En ik baalde vooral dat de bezoeker een man met een kind was.


Ik heb het niet zo op kinderen. Of op mannen met kinderen. Of vrouwen met kinderen. Mensen met kinderen. Omdat ze hun kroost het liefst boven hun hoofd – hun blik naar buiten gericht – van links naar rechts draaien. Maar dit doen ze niet: dit is onpraktisch en te zwaar voor de bovenarmen. Dus praten ze betuttelend en lachen heel hard. ‘Willen jullie ALSJEBLIEFT zien hóé leuk míjn kind is?’ Precies zoals ik met mijn hond doe.


Ik snap het dus wel. Alle begrip ook. Alleen is het zo jammer dat er een tekort is aan leuke honden en je wordt overspoeld met niet-leuke kinderen. Vind ik dan. Maar als je dat hardop zegt, word je gefolterd. Of erger: verbannen uit de wereld waarin de mens wordt geacht in álle omstandigheden toch zeker over één eigenschap te beschikken: kinderliefde.


Ik bestelde thee en eten en hield mezelf voor dat ik verder niets met mannen en kinderen te maken hoefde te hebben. Ik stuurde wat berichten, scrolde door Facebook, Instagram en Twitter zonder iets zien en toen gebeurde het dan toch: ik keek naar de Man met Kind. Dju! Ik had hem aandacht gegeven!


Stiekem wilde ik namelijk weleens weten wát voor Man met Kind hier zat. Dat wist ik natuurlijk al, maar toch ... in die minuut die ik nu al in de hoek zat, had ik hem nog steeds niet gehoord. En hij keek ook niet terug. Hij had alleen oog voor zijn kleine. In stilte.


Hij was hooguit dertig, had rood haar en zijn ogen lagen diep in zijn mollige gezicht. Hij was niet knap, niet lelijk en ook niet iets daar tussenin. Hij had iets zachts, wat hem toegankelijk maakte. Aanspreekbaar. Maar hem aanspreken, ging ik natuurlijk niet doen. Dan moesten we over kinderen praten. Toch zag ik het wel: dit is een lieve man, een goede vader.


Hoe hij het flesje gaf, terwijl hij tegen zijn kind fluisterde. Hoe hij het tegen zich aan drukte en zachtjes naast zich legde om de luier te verschonen. Hoe ze samen speelden en hoe dat zijn lichaam deed schokken van de slappe lach. Maar dan zonder geluid of zijn blik van zijn kind af te wenden. Dit was een groot geluk, tussen het kleinood voor zijn neus en hij.


Ik richtte me op het grote geluk voor míjn neus. Een bord met friet, sla en een vegaburger. Terwijl ik de maaltijd naar binnen werkte, fantaseerde ik over het leven van de jonge vader. Op deze dinsdagmiddag geen werk, maar zijn pasgeboren kind. Of was hij de huisman? Ik keek nog eens naar hem.


Ja, ik zag het wel voor me: deze ietwat gezette, sympathieke, rode knaap al stofzuigend met zijn kind wiegend op zijn arm als het niet wilde slapen. Elke avond stond het eten klaar als zijn vrouw thuiskwam en op vrijdag brandde hij kaarsjes en schonk rode wijn.


Eén keer per week, op dinsdagmiddag, ging hij met de kleine op pad. Met zijn kind in de kinderwagen struinden ze door de stad, samen. Vaak met een doel. Luiers halen, bijvoorbeeld. Soms zonder. Maar altijd gingen ze samen even dit eetcafé in. Hij zocht er een rustig plekje uit en daar, in de veiligheid van de uiterste hoek, nam hij zijn kind in zijn armen. Hij en zijn kleine. Meer had hij niet nodig.


Ik zag het nu. Deze Man met Kind was anders. En dit kind zou daardoor óók anders zijn. Het zou niet opgroeien als het product van twee mensen, maar als een eigen wezen. Een kind met een eigen identiteit, een mens dat feilbaar mocht zijn.


Ik schrok op. De man was zomaar hardop beginnen praten. Tegen zijn kind. Naar zijn omgeving. Twee vrouwen van een jaar of vijftig waren in onze hoek komen zitten: kort haar en een bril.


‘Ik moet hem al vroeg inwijden in het café’, zei de man. Hij keek trots naar zijn kind, dat nu tot zoon was gepromoveerd. ‘Papa-dag zeker?’, zei één van de vrouwen. ‘Ja! Zeker!’ ‘Ik ken het van mijn zoon.’ Ze had nu een band gecreëerd. Wij, Mensen met Kinderen. Mensen van de Wereld. De vrouwen keken elkaar aan en toen weer naar het kind. ‘Net zijn vader, hè?’, deed de ene vrouw alsof ze het tegen de andere had. ‘Ja? Lijkt hij op mij?’ En hij wreef in de buik van het ventje. ‘Ja, hè?’, zei hij met een hoge stem. ‘Jij hebt ook al een buikje, hè?’ Daarna liet hij zijn blik door het café gaan.



 
 
 

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe
bottom of page