Schoolvriendin
Ik stond voor een gesloten poort. Er was een tijd dat ik hier bijna dagelijks kwam, in deze villa, maar nu hoopte ik dat niemand me zou zien. Ik wilde hier alleen maar even staan.
Na de middelbare school scheidden onze wegen, die tussen mijn beste schoolvriendin en mij. Twintig jaar was ik hier niet meer geweest en nu bracht een bezoek verderop me terug. De verleiding was te groot geweest; ik kon de weg nog terugvinden, daarvoor hoefde ik niet eens te zoeken. Ik herkende de huizen rondom en las het bordje pal tegenover deze woning. Ik wist meteen weer dat deze straat altijd al zo had geheten.
Hele plukken uit mijn verleden kwamen terug; dingen waaraan ik nauwelijks nog had teruggedacht, misschien zelfs wel nooit meer. Niet omdat ik ze had weggedrukt of omdat ik vergeetachtig was. De gedachten aan die tijd leken er gewoon niet langer toe te doen. Ze hoorden bij het verleden dat ik had afgesloten. Niets uit die periode maakte nog deel uit van mijn huidige leven. En toch stond ik nu voor dit huis.
Alsof ik met een potlood over het blad van mijn jeugd veegde: zo helder lichtten de contouren van mijn verleden nu op. Ze werden zelfs zó zichtbaar dat ik me afvroeg hoe het mogelijk was dat ik aan bepaalde dingen nooit meer had teruggedacht. Ik kende zelfs het telefoonnummer van dit huis nog uit mijn hoofd.
Ik zag voor me hoe ik daar naar binnen liep. Hoe ik er door de ontelbare gangen dwaalde, tot diep in de nacht met mijn vriendin naar de engste films keek, hoe we de paarden eten gaven en de honden stiekem extra brokjes toestopten. Ik herinnerde me weer de zomers aan het zwembad, de te korte nachten omdat we niet uitgepraat raakten en de rimpels in mijn vingers nadat we uren in het bubbelbad dobberden terwijl ik de puistjes op de rug van mijn vriendin uitkneep.
We groeiden samen op; zij aan zij werden we volwassen – zij een tikje sneller dan ik. Voor mijn ogen zag ik haar een vrouw worden, en verdomme, dat ging rap. Gehuld in de meest sexy bikini’s lonkte ze naar de jongens die om haar dromden, zoals mieren rond een pot jam. Zij trok de wijde wereld in – eindelijk, zo leek ze te denken – en ik… ik was dat meisje in het zwempak. Ik diende simpelweg te wachten tot er ook bij mij daar leven in zou komen.
Terugblikkend is het onlogisch. Zij en ik. Zij al zo volwassen, zo zeker, van zichzelf en van het leven. Ik bleef al die tijd jong, verlegen en wankel. Ik keek naar mezelf en naar het leven en lange tijd ontbrak de brug tussen die twee. Dus trok ik me aan haar op; haar zekerheid was de mijne. Tot we tussen anderen stonden en ik opmerkte hoe klein ik was naast haar. Daardoor was ik misschien ook wel háár redding, als veruiterlijking van haar eigen kleinheid.
En nu waren we twintig jaar ouder. Meer dan het dubbele van onze leeftijd toen. Ik werd wat zelfverzekerder, zij misschien wat minder; ik had geen idee. Ik zag haar nog maar een keer. Na een kort gedag op straat strandde ons gesprek. We namen gauw weer afscheid – ‘sorry, ik moet nu door’ – wetende dat we de belofte om nog eens af te spreken niet zouden inlossen. Er was ook niet zo veel gemeenschappelijks meer. En waarschijnlijk was dat er ook nooit geweest. Voor haar ouderlijk huis realiseerde ik me hoe anders we toen al waren. En toch… we hádden een vriendschap; we deelden iets. Ik kende hier fijne jaren: het ommetje naar dit huis deze middag maakte ik niet voor niets…
De dagen erna dacht ik nog regelmatig terug aan die tijd, mijn gedachten wentelend om de vraag wat ik daar in mijn jeugd nu precies had gevonden. Wat maakte dat ik telkens terugging naar die plek, naar haar? Wat deed me een paar dagen ervoor terugkeren? Een antwoord vond ik niet. Ik voelde hooguit een sfeer; iets dat ik wel kon aanraken, maar niet te pakken kreeg. Daar waar ook de mysteries van het leven af en toe verschijnen.
Niet veel later kreeg ik een bericht. Het was die vriendin. Ze moest na al die jaren opeens aan me denken.





Opmerkingen