Tristesse
De bomen kaal en een huilende wind langs de huizen, de velden zompig en de bladeren op sommige plekken alweer bijna humus. Elk jaar geniet ik heel stiekem een beetje meer van de immense treurnis van de winter. De tristesse, de leegheid, het troosteloze … de vergankelijkheid is in deze tijd van het jaar zó groot dat alles op losse schroeven lijkt te staan – nu het leven eeuwig verstikt lijkt onder die heiige deken moet alles opnieuw worden uitgevonden. De winter is totale stilstand en onzekerheid.
In de herfst najaar wacht ik daar al op; dat het weer zover is. Dat ik weer binnen mag zitten, de gordijnen kan dichttrekken en me mag warmen aan het vuur van het brandende hout. Het liefst met zicht op een nieuw, voorbijtrekkend regengordijn. Het najaar is een seizoensgebonden dood met een open einde. Zo voel ik dat. Want er ligt natuurlijk een grote belofte in: straks begint alles weer opnieuw. De bomen zullen gewoon weer knoppen maken en de zon zal ons ook dit voorjaar verwarmen. In de vergankelijkheid ligt altijd het onvergankelijke verborgen. Zoals het leven de dood is, is de dood het leven.
Hoe dan ook …
En in die stilstand daar tussenin, waar er even dood noch leven is, ligt de winter. Hij is de brug tussen de vergane glorie van de herfst en alle nieuwe kansen van de lente – in alle onzekerheid van deze zalige stilstand sluimert alweer de zekerheid van vooruitgang. En wel met de toestemming dat ik nu, op dit moment, even niets moet. Straks moet ik weer buiten leven, weer genieten van de zon, dien ik er weer op uit te gaan en naar het leven te lachen. Nu mag ik me gewoon wentelen in het niets, mag ik huilen om de eindigheid der dingen en naar de laatste stuiptrekkingen van de dood kijken. En god, wat doe ik dat graag.
Dat was eens anders. En of, dat het ooit anders was. Elke winter denk ik daar weer aan, aan die donkere jaren vanaf 2011. Terwijl de zon uit de dagen gleed, verdween ook de glans uit mijn gemoed; de kou vrat zich razendsnel naar binnen en de winter holde mijn binnenste uit. Alles wat diende te leven was dood, de belofte zoek.
Die periode voelt elke winter dichtbij; een zandpad met kuilen vol water, afgebroken takken of de geur van dennenbomen en ik ben terug in 2011. Heel even. Want word ik mij ervan bewust dan is het weer weg; wanneer ik vóél hoe die sfeer van die donkere jaren me bij de keel grijpt, dan lost hij zijn klauwen. Dus glimlach ik voortaan maar terug. Het is tenslotte de dood waarop ik mijn nieuwe leven bouw.





Opmerkingen