Een spijl in het rad
Bijgewerkt op: 2 okt
Om half acht stond ik in het pikkedonker en in een ijzige kou met de rest van de straat ijs van de voorruit van mijn auto te krabben. Ik zag ademwolkjes en uitlaatgassen en in een verder ijzige stilte klonk het ronken van motoren en het schrapen van de krabbers. Niet veel later reed ik tussen deze mensen in de file richting de snelweg. Duisternis en rode lichtjes…
Normaal word ik wakker als het al licht is en de wereld allang tot leven is gekomen. Ik schuif dan mijn gordijnen open en zie een bezield decor van fluitende vogels en hinnikende paarden; wanneer ik met mijn hond de deur uitstap, loop ik door een setting die op zichzelf staat en draait volgens zijn eigen wetten. Elke dag opnieuw doet ze wat ze moet doen en ik ben daarin niet meer dan een piepkleine toevoeging. Op mijn geheel eigen manier, natuurlijk. Dat dan weer wel. Net als ieder ander mens ben ik een unieke schakel die in dat gigantische netwerk van wetmatigheden zijn eigenheid toevoegt, en, ja, misschien zelfs wel een klein beetje vrijheid weet te brengen. Dat laat elke ochtend me zien, als de zon al op is en de wereld op gang is gekomen.
Schimmen in een donkere straat: de méns had nu bepaald dat de ochtend al was begonnen
Deze ochtend was dat anders. Geen vogels of paarden, geen kleurende horizon die een nieuwe dag aankondigde, maar schimmen in een donkere straat. De méns had nu bepaald dat de ochtend al was begonnen en ineens was hij geen origineel schakeltje meer, geen bijzondere aanvulling ... nee, hij was nu de wetmatigheid zelf: tegelijkertijd wakker geworden, tegelijkertijd over de auto gebogen, tegelijkertijd achteloos in de file... Om met zijn alleen een kwartier te vroeg aan het koffiezetapparaat te staan. Ze hadden op het journaal immers gewaarschuwd voor vervaarlijke gladheid. In plaats van een authenticiteit was de mensen verworden tot een spijl in een looprad vol voorspelbaarheden geworden.
Ik heb hier al vaker over geschreven. Omdat het idee me deprimeert... Het idee van de mens die – zonder dat hij doorheeft – is opgegaan in een geheel, niet of nauwelijks nog in contact met zijn eigenheid. Wat is hij dan nog, als hij niet langer iets eigens toevoegt? Wanneer hij niet meer vanuit zijn authenticiteit leeft, maar zelf het decor werd, niets meer dan een schakel van een automatisch draaiende collectiviteit? Wat is de mens wanneer hij zelf het systeem is...
Een noodzakelijk kwaad? Ja, misschien is dat zo. Zonder het geheel draaien we niet, als maatschappij. En we doen er allemaal op onze eigen manier aan mee. Ik ook, optrekkend en afremmend in de file. Dat hield ik mezelf dan maar voor, me dood starend op al die (potentiële) lichtpuntjes in de duisternis.





Opmerkingen