Labrador

Voor het eerst in mijn leven schreef ik me in op een datingsite. Ik geloofde daar nooit zo in; ik zou wel een keer over ‘m struikelen bij de bakker. Maar 1. dat gebeurde niet en 2. steeds meer warme bakkers sluiten hun deuren. De vijver om in te vissen werd de laatste jaren bovendien wat troebel. Tijd voor opheldering dus, en ik schreef een profiel op een spirituele datingsite met – onder meer – dit: gevoel voor het niet-fysieke = een plus, zwevers = nee, dank je.
Ongeveer tegelijkertijd – eigenlijk duwde zij me de drempel over – schreef mijn beste vriendin zich in. Screenshots en gegiebel over en weer natuurlijk, om al die – nou ja – authentieke profielen en berichten. De ene rijgt de ayahuasca-ceremonies aan mekaar, de ander heeft voor de zoveelste keer zijn pijnappelklier gereinigd en dan was er een gast van wie zijn Innerlijk Licht mijn Innerlijk Licht zocht. Of die kerel die wel héél letterlijk antwoordde op de profielvraag hoeveel aandacht hij aan uiterlijke hygiëne besteedt – ‘Ik douche wel, maar echt niet elke dag’ –, terwijl een ander ontdekte dat hij nudist is en een vrouw zoekt die hij de hele dag tegen de poes aan mag kijken. Ik ga nog even door: mijn vriendin kreeg de vraag van een man op leeftijd of hij haar voeten mocht masseren; het was zijn (natte) droom met een vrouw samen tantraworkshops te geven. En ik zag iemand passeren die geen profiel over zichzelf maakte, maar voorschreef waaraan een vrouw diende te voldoen mocht ze met hem in contact mogen treden: ‘De ene keer draag je sportieve kleding, de andere keren sexy en je kundalini stroomt’.
Soit, ik ging eens vissen. En toen ik wat steentjes verlegde, dreven er heus ook wel wat normale en zelfs leuke mannen boven. Mijn vriendin zag er ook een: leuke kop, twee honden én geen zwever. Het contact via de datingsite liep alleen niet geheel vlekkeloos, vertelde ze, en ze vroeg me hoe ik haar reactie vond. Opnieuw screenshots.
Arme mannen. Ze doen zo hun best. Om ons, meedogenloze vrouwen, te behagen.
Ik kwam niet meer bij. Mee-dó-gen-loos. ‘Misschien kun je met een actieplan komen in plaats van weer excuses en uitleg waarom je doet wat je doet’ en ook: ‘maar beste Harrie*, hoe gaan we elkaar dan leren kennen als jij nooit online bent?’
Na mijn stuiplach en de tip even aan te geven dat dit haar – ietwat cynische – humor is, proestte ook zij het uit. Ze volgde de suggestie op, maar helaas: het bleef stil. De man met wie ze wél tot een afspraak kwam, had de tanden en poriën van een roker, vertelde ze. Ik zag voor me hoe zij tijdens hun wandeling staarde naar al die zwarte mee-eters die ze maar al te graag, à la minute, had willen uitknijpen.
Arme mannen. Ze doen zo hun best. Om ons, meedogenloze vrouwen, te behagen. Wat ze tegenwoordig allemaal al niet uit de kast moeten trekken voor een simpel wipje – hoe hard ze ook het tegendeel proberen te bewijzen dat de liefde eerst komt …
Dus nee, dat online daten is het niet helemaal voor me, geloof ik. Maar ik hou vol, ik ben geen opgever. En bovendien is het ook gewoon Jiskefet. Ik geniet er zo van om al die mensen te zien stuntelen met het leven, met de liefde, met communicatie, met noden, met verwachtingen, met angsten, met hoop, met verlangens ... met moraliteit versus lusten. Ik doe daar net zo goed aan mee. Oh ja hoor: ik worstel wat af. En ik had ondertussen ook een date.
Een goeie man. Maar écht een fijne kerel. We werden niet verliefd en we deelden het bed niet, maar dat ik me veilig kon voelen bij een man die oprecht geen verwachtingen had, deed me goed. Het was een verrijkende ervaring, het gaf me vertrouwen: dat ze bestaan, goeie mannen … We waren gelijkgestemden; we raakten niet uitgepraat en we lachten, deelden, spiegelden en bleven bij onszelf. Zo goed mogelijk dan, want ik zeulde natuurlijk een rugzak vol slechte dates met me mee. En hoewel ik vóélde dat deze man echt anders was en ik die tas, elke keer als ik hem dan toch weer onopgemerkt op mijn rug had gehesen, naast me kon neerzetten: mijn geconditioneerde hoofd bleef maar toeteren dat er meer van me werd verwacht. Meer dan mezelf zijn. Meer dan lekker eten op tafel zetten. Meer dan lachen om zijn grappen. Aan het einde van de dag was het tijd voor … meer.
Mijn geconditioneerde hoofd bleef maar toeteren dat er meer van me werd verwacht. Aan het einde van de dag was het tijd voor … meer
Omdat ik me de hele dag bewust was van dat stemmetje kon ik ernaar blijven kijken. Ik hoorde het gejengel en glimlachte er eens naar. Maar toen de afsluiter dan echt in zicht kwam, was een onbewaakt moment voldoende. Hup: ik had mijn rugzak weer om. En ja, hoor, het kletterde zo, onopgemerkt, tussen ons in, op tafel: dat ik het superleuk met hem had gehad, maar dat de kans bestond dat er niet meer zou gebeuren dan dit, nu niet en in de toekomst niet.
Hij keek me eerst verbaasd aan. Toen geschrokken. En daarna gekwetst.
Niet omdat hij in gedachten (onderbuik) al met me in bed lag, maar omdat dit voor hem na al die gesprekken die we hadden gevoerd, na alles waar we het over eens waren geweest, een totaal onzinnige opmerking was. ‘Geen verwachtingen, weet je nog.’ Deze man was een labrador die niet met méér bezig was dan met nú, tegenover me aan tafel. En ineens ging ík ervan uit dat dat voor hem niet voldoende zou zijn. Met één achteloze opmerking had ik hem zo, hup, boven op de hoge hoop mannen geworpen. Mee-dó-gen-loos …
*Harrie is een fictieve naam




Opmerkingen