Liefde

Ik beeldde me nog maar eens in dat ze er niet meer is, mijn lieve Miemie. Hoe haar plek onder mijn bureau leeg zal zijn, haar mand opgeborgen en haar geur vervlogen. Die gedachte gijzelt me al langer; al jaren schrijf ik over de dag dat ik haar zal moeten loslaten. En nu is de dood echt dichtbij.
Graatmager is ze. Lopen gaat moeilijk; wandelen doen we nog maar tot op de hoek. Slapen kan ze dan weer als een kampioen, net als waken. Haar rafelige blaf bonkt nog altijd uit dat kleine lichaam. Ze wíl nog wel, er zit nog leven in haar: dat vertelt ze me wanneer ze ongeduldig wacht op de banaan voor het slapengaan. Ze eet nog even graag, maar dan met kleine beetjes die recht van tafel komen.
Nee, Miemie is nog niet klaar hier, dat zie ik in haar ogen, dat voel ik aan haar hart, maar haar lichaam, dat al zoveel te verduren kreeg, is bijna op. Pijn heeft ze niet, gelukkig. Dus hoop ik dat haar lijf de wens van haar ziel kan volhouden en ze haar eigen moment zal kunnen kiezen. Dan kan het best nog een paar maanden duren.
En dan is het voor mij ook goed… Mijn hart zal zwaar voelen, dat is een feit, maar nu ik wéét dat het binnenkort zo zal zijn, hoef ik niet meer te gissen. De pijn is er al. Het verdriet sluipt iedere dag dichterbij.
Dus huil ik soms al eventjes. De leegte die ze zal achterlaten, trapt op mijn hart als een prachtige herinnering aan een vriendschap tussen een mens en een dier die aan elkaars zijden opkrabbelden. Zij eens mishandeld, ik nog ontredderd in de donkerste periode in mijn leven. Zo vonden Miemie en ik elkaar.
De leegte die ze zal achterlaten, trapt op mijn hart als een prachtige herinnering.
Wanneer ik om haar huil, voel ik hoe verschrikkelijk ik haar zal missen. Alleen daarom zal ik dagen, weken, misschien wel maanden rouwen. En toch is dat niet de diepste pijn. Het grootste verdriet is iets anders, iets dat zo zeer doet dat ik het nauwelijks kan dragen. En dat staat los van onze band – dat besef ik nu pas, nu het binnenkort echt zover zal zijn.
Haar aanstaande dood zette een deur op een kier naar iets dat zo groot, zo intens en zo puur en zuiver is, dat ik daar, als feilbare mens, nauwelijks tegenover recht kan blijven staan. Alleen al een glimp van dat gevoel, om alleen maar éven de onvoorwaardelijkheid van een dier te ervaren en ik zak in elkaar. Dat is liefde, en die doet óók godsgruwelijk veel zeer.
De liefde die ík voor Miemie voel, mag ik dan wel als groots beschouwen, ze is niets vergeleken met het gevoel dat er van háár uitgaat. En hoe graag ik dat ook wil: dat heeft niets met mij te maken. Natuurlijk hechtte Miemie zich aan mij, ben ik belangrijker voor haar dan wie ook, maar schuift een ander iedere dag haar etensbak onder haar neus dan zal ze zich aan diegene hechten. Ik máák haar liefde persoonlijk: ik denk dat ze vanwege mij, om Mayke Wijnen, zo dicht tegen me aan kruipt. Maar in wezen is de liefde van elk dier zó groot en puur, dat we maar in de ogen hoeven te kijken van een koe in de wei of een kat op de hoek van de straat om die te kunnen ervaren.
Door een dier in huis te nemen, haal je die liefde dichterbij. Zoals Miemie die binnenbracht toen ik die zelf niet gevonden kreeg. Elke dag is haar aanwezigheid een liefdeservaring. En de gedachte dat ze er niet meer is, zet de deur naar dat gevoel nog verder open. Haar te moeten missen, herinnert mij aan haar onvoorwaardelijkheid; aan haar liefde; aan de leegte die zij vult. Daarom doet ware liefde óók zo godsgruwelijk veel zeer. Het is een herinnering aan onze eigen verloren eenheid. Dat was onvermijdelijk in dit aardse bestaan.




Opmerkingen